Goochelen is de kunst van het schijnbaar onmogelijke. Het is vanouds een straat- en podiumkunst, waarbij door middel van vlugge hand- en vingerbewegingen een bedrieglijk effect wordt gecreëerd. De bedoeling is dat het de toeschouwers onduidelijk blijft hoe dat effect, het 'onmogelijke', tot stand komt. Een goochelaar gebruikt bij zijn voorstelling bijvoorbeeld traditionele hulpmiddelen als speelkaarten, ringen, touw, doeken en balletjes, maar ook levende have als duiven, en vuur. Spreekwoordelijk is het konijn uit de hoge hoed. Speciale acts zijn bijvoorbeeld de ontsnappingsstunts van een legendarisch goochelaar als Harry Houdini (1874-1926), onderwateracts (bijvoorbeeld Sylvia Schuyer) en doorzaag- en verdwijntrucs. Dat laatste is echter meer het terrein van de illusionist. Sommige goochelaars combineren trouwens hun voorstelling met illusionisme, comedy of clownerie, of hebben zich gespecialiseerd in straatgoochelen, kaartschieten, table-act, goochelen voor kinderen, soms gecombineerd met een clowns-act, of close-up goochelen.